Concreet klasmanagement

De eerste keer

De eerste momenten voor een nieuwe klas zijn cruciaal. Leerlingen vormen zich
heel snel een eerste indruk en vanuit deze indruk gaat een klas reageren.
– Wie is het eerst in de klas. De leraar of de leerlingen?
– Hoe kom ik binnen?
– Welke eerste indruk hebben leerlingen van mij? ?
– Hoe is mijn lichaamstaal?
– Hoe ben ik gekleed?
– Taal, stem, intonatie, volume, articulatie, ademhaling…

Stiltemoment

Dikwijls is het bij de aankomst van de leraar rumoerig. Laat de leerlingen horen en zien dat je er bent. Je begint pas te praten wanneer alle leerlingen stil zijn.
Hoe krijg je een klas stil?
– Gewoon wachten
– Aandachtig observeren, kijken maar niets zeggen.
– Stem verheffen
– Stil praten
– Iets mysterieus doen (= leerlingen nieuwsgierig maken)
– Iets doen wat de leerlingen niet verwachten
– Als slechts enkele leerlingen babbelen: met naam aanspreken en dan
beginnen.
Wanneer het stil is, stel je jezelf kort en bondig voor.

Wat – hoe en waarom

Wanneer leerlingen weten wat ze wel en niet mogen en wanneer jij uitdrukt
waarom je dat wil, dan heb je een goede startbasis. Deze info geeft je via het wat-hoe-en-waarom-model.
Wat: Leerlingen mogen niet door je uitleg heen spreken.
Hoe: Wanneer een leerling iets wil vragen, moet hij eerst zijn vinger
opsteken.
Waarom: Je wilt alle leerlingen de mogelijkheid geven om je uitleg goed te
kunnen volgen.
Het is belangrijk om bij het waarom argumenten te gebruiken in het belang van de
hele klasgroep.

Periferen en gericht zijn op de klas

Van een beginnende leraar wordt wel eens gezegd dat het geen verschil maakt of hij voor een volle klas of een rij lege stoelen zijn ding doet. Beginnende leraars zijn vooral met zichzelf bezig. Ze wroeten nog met de leerstof en dat slorpt alle energie op. Pas later komt het besef dat er in de klas ondertussen ook heel wat andere dingen gebeuren.
Of je een relatie met een groep tot stand brengt, hangt grotendeels af van je eigen vermogens als leraar. Wat je vooral nodig hebt, is met je aandacht bij de leerlingen zijn en blijven. Dat je alle leerlingen in je aandachtsveld hebt en kunt houden. Een eerste vermogen om dit contact te maken met je groep is het ‘gericht zijn op de ander’.
Het centrum van je aandacht is bij anderen, de leerlingen.
Of iemand ‘gericht is op de ander’ of ‘gericht is op zichzelf’ is onder meer te zien aan de ogen. Is de aandacht bij de ander, dan glanzen de ogen. Iemand die met de aandacht bij zichzelf is, heeft doffere ogen. Gericht zijn op de ander is ook te zien aan het lichaam, doordat het wat meer naar voren komt.
Een tweede vermogen is perifere aandacht. Daarmee bedoelen we dat je aandacht op meer plaatsen en bij meer signalen tegelijkertijd is. Sommige leraars richten zich voortdurend naar één kant van een groep. Ze
hebben een ‘focus-waarneming’.
Een leraar heeft om een hele groep in zijn aandachtsveld te krijgen en te houden een perifere waarneming nodig: zien en horen tot aan de grenzen van het waarneembare. Focus is als het ware een op één brandpunt gerichte aandacht. Perifeer gerichte aandacht heeft – bij wijze van spreken – de vorm van een cirkel: een wijde, naar buiten gerichte aandacht.

Stopgedrag

Een van de basisvaardigheden van leerkrachten om kleine conflictjes en pogingen tot ongepast gedrag effectief aan te pakken om daarmee groter onheil te voorkomen, is stopgedrag. Stopgedrag is het kunnen stoppen van beginnende storing. Het is de vaardigheid om beginnend rumoer op te merken en op een gepaste manier en onopvallende manier te doen stoppen.
Je kent dat wel: Leerlingen beginnen zich te vervelen en zoeken verstrooiing in andere bezigheden. Praten met de buren scoort daarin heel hoog. Geroezemoes en ander licht illegaal gedrag heeft de neiging toe te nemen als er niets corrigerends gebeurt. Wanneer één brief de kans krijgt te circuleren, zullen er
gauw nieuwe worden toegevoegd. Ook al escaleert het ongewenst gedrag niet, toch is het van belang die éénling te corrigeren. De ervaring van de leerlingen dat je hen voortdurend ziet en op hen let
zal preventief werken.

Wat moet je doen? Vier tips:

  1. De beginners opmerken. . Vooral bij beginnende leerkrachten en studenten blijkt het waarnemen van het begin van ongewenst gedrag erg moeilijk. Het wordt vaak gewoon niet gezien. De verklaring hiervoor is dat beginners meestal meer gespannen voor de klas staan. Gespannen mensen vernauwen hun blikveld; ze kunnen hun aandacht niet spreiden. Ze bewegen weinig en kijken soms alleen naar de leerlingen die pal voor hen zitten. Het wordt uiteraard wel erg verleidelijk voor de ‘verwaarloosde’ leerlingen om zichzelf bezig te gaan houden. De oplossing is dat gespannen beginners zichzelf dwingen om toch rond te kijken.
  2. Het gedrag echt doen stoppen. Je moet zo reageren dat het storend gedrag effectief stopt. Een belangrijke tip is dat je dreigen of waarschuwen moet proberen te vermijden. Dreigen is als het ware een erkenning dat je eis om te stoppen ook opgevolgd kan worden.
  3. Je gedrag moet ook aangepast zijn. Een stevige uitbrander voor een leerling die voor de eerste keer zijn kauwgom vergeten was uit de mond te doen, is ‘niet op maat’.
  4. Bewust aandacht besteden aan je lichaamstaal. Een uitstraling van vastberadenheid werkt bijvoorbeeld uitstekend. Even streng aankijken heeft vaak meer effect dan een verbale waarschuwing. Het voordeel van dit non-verbaal stopgedrag is dat je je les niet hoeft te onderbreken. Wanneer non-
    verbaal stopgedrag niet werkt, moet je overgaan naar een krachtiger middel.
    Het is als het ware een soort ladder die begint bij viendelijke, milde vormen van correctie en eindigt bij de krachtigste. Het repertoire aan de krachtige kant bestaat uit bijvoorbeeld een stevige klap op tafel, een donderpreek of straf.
Stopgedrag gebeurt zoveel mogelijk non-verbaal. Als het nodig is, kan je dat ook verbaal doen. Dan is, wat hieronder staat, een goede volgorde:

Gewoontegedrag creëren

Een situatie: Mevrouw Sioen komt de klas binnen. Het wordt onmiddellijk stil en de
leerlingen hebben hun agenda al klaar liggen. Mevrouw Sioen begroet de klas, vertelt kort wat het onderwerp van deze les is en schrijft het lesthema op het bord. De leerlingen schrijven wat op het bord staat in hun agenda. Dan steken ze hun agenda in hun boekentassen. Mevrouw Sioen kijkt rond en wacht tot iedereen zijn agenda heeft ingevuld. Ziezo, nu kan ze starten.

Dit gedrag van de klas, dat we gewoontegedrag noemen, is er niet zomaar gekomen. Mevrouw Sioen is daar de eerste lessen heel bewust mee bezig geweest. De eerste les had ze duidelijk verteld hoe ze wilde dat de lessen zouden starten (zie wat-hoe-en-waarom-model).

De tweede les herhaalde ze dat nog een keer terwijl de leerlingen hun agenda inschreven. ‘Als jullie klaar zijn, mag je in alle stilte je agenda opbergen’. Goed gewoontegedrag ontstaat immers door oefening en herhaling.

Tijdens een les eind september merkt ze dat de klas het minder nauw neemt met de afspraken. Terwijl ze het lesonderwerp op het bord schrijft, is er heel wat gepraat in de klas. Ze draait zich om, kijkt de klas aan en vraagt: ‘Wat zijn hier de afspraken?’. De klas wordt weer stil.
Mevrouw Sioen weet dat ze waakzaam moet zijn zodat het gewoontegedrag gehandhaafd wordt.
Ervaren leraars weten goed welk gewoontegedrag ze willen creëren en ze weten hoe gewoontegedrag ontstaat. Gewoontegedrag is zowel voor de leraar als de leerlingen belangrijk. Het creëert een grote voorspelbaarheid en een grote veiligheid. Ook leerlingen vinden dat, alhoewel ze dat niet uitdrukken, prettig.
Kernideeën zijn:
– Gewoontegedrag ontwikkel je vanaf de eerste les
– Gewoontegedrag moet je bewust ‘uitspreken’
– Gewoontegedrag ontstaat door oefening
– Gewoontegedrag moet worden gehandhaafd
Bron: http://www.sports-media.be/links/klasmanagement.pdf

Kennismakingsspelletjes

Kennis maken doen we altijd als we ergens nieuw zijn of nieuwe mensen tegenkomen. Het kennismaken kan betrekking hebben op de omgeving en natuurlijk op personen.
Het accent kan liggen op het te weten komen, en het onthouden van namen en plaatsen.
Het accent kan ook liggen op het gebied van sfeer maken en in contact komen met de omgeving (gebouw/personen).

Pas je spel aan aan het niveau van je deelnemers. Met kleine kinderen speel je een ander spel dan met volwassenen. Je moet ook rekening houden met de grootte van de groep. Als je een groep hebt van 20 deelnemers kun je de namen van de andere deelnemers nog onthouden.
Als je een groep hebt van 60 deelnemers, dan wordt het wat moeilijk. Tijdens ons kennismakingsspel zullen de accenten liggen op de sfeer en het in contact komen met de anderen.
Terrein,- opdrachttochten over het terrein zijn activiteiten waarbij het accent ligt op het kennis maken met de omgeving.

De volgende spellen zijn leuke ideeën om kennis met elkaar te maken

Namen Noemen
Krantenmeppertje
Spinnenweb
Namen-associatie-spel
Roep naam in emotie
Spinnenweb (2)
Leg je naam uit
Amerikaans liften
Teken naam in rebus
Vraagspel
Wie ben ik?
Ladderspel (materiaal)
MikMak
Ik leg een ei voor…
Blub, blub wie roept
Blaas uit die kaars
Stapelen!!
Geheim agent
Handen, voeten
Ik draai rond
Speel met de voeten
Ik zit…in het groen…
Kijk je goed
Stand in de mand
PangPang
Telefoontje
Hang en val
De trein
Bijvoeglijke alliteratie
Ik hang in de appelstruik
Zoek je partner
Vragendoos
Spring op bij de naam
Namenketting
Wie missen we?
Pak de persoon voordat hij een voorwerp heeft
Wie voel je nu?
Kennismakingskwartet
AdemNood
Namen noemen
De spelers zitten in een kring op een stoel. Eén van de spelers, Kees, begint het spel. Hij roept een naam, bijvoorbeeld Piet. De speler die rechts van Piet zit, moet nu zo snel mogelijk rechtop gaan staan. Piet gaat nu verder en noemt een andere naam. Zodra de groep is ingespeeld, maak je het moeilijker. Nu worden er twee namen genoemd. Vanaf Raymond tot aan Sandra opstaan. Let op: de eerste naam is belangrijk. Die blijft zitten en zet de volgende actie in gang. Als een verkeerde speler opstaat of een speler niet opstaat, wordt dat beloond met een strafpunt. Wie haalt de minste strafpunten?

 

Krantenmeppertje
De spelers zitten of staan in een kring. In het midden staat Koert met een krant, opgerold in de hand. Iemand uit de kring, aangewezen door de leider, noemt de naam van Janette die in de kring zit. Koert moet proberen dan zo snel mogelijk op de kniën van Janette te slaan. Als Janette voor de klap snel een andere naam noemt, dan heeft ze geluk. Noemt ze een verkeerde naam, of is ze te laat, dan is zij de krantenmepster.

 

Spinnenweb
De spelleider werpt een bolletje wol naar een medespeler, maar houdt zelf het begin van de draad vast. Deze medespeler vangt de bol, roept zijn naam, pakt de draad vast en werpt de bol naar iemand anders. Deze roept ook weer zijn naam en gooit verder. De rest spreekt voor zich. Als dit allemaal is gelukt, herhaal je het werpen in tegengestelde richting. De draad wordt zo weer opgerold. Zou he tlukken de naam te noemen naar wie je de draad toewerpt?

 

Namen-associatie-spel
Bepaalde gedrags,- of uiterlijkeigenschappen blijft iemand altijd bij. Daar associeer je iemand mee. Dus nu kan je er bewust mee omgaan. Iedereen staat in de kring. De spelleider begint met het roepen van zijn eigen naam. Daarbij maakt hij een bepaalde beweging, zoals een buiging. De volgende in de kring (met de klok mee) noemt ook zijn of haar naam en maakt hierbij een andere beweging. Zo gaat de hele kring rond. Hierna ga je weer de kring rond, maar moet je steeds de namen en bewegingen van de vorige mensen opnoemen en voordoen. Dus de eerste persoon in de kring doet alleen zijn eigen naam en beweging, maar de laatste in de kring moet alle voorgaande namen en bewegingen doen.

 

De naam laten horen
Er zijn groepjes gemaakt. De deelnemers staan achter elkaar met de gezichten in één richting. De voorste noemt zijn naam, daarna nummer twee en zo het rijtje af. Het is de bedoeling dat iedereen om de beurt zijn naam in verschillende emoties presenteert (verdrietig, vrolijk, bang, verlegen)

 

Spinnenweb (2)
De spelleider werpt een bolletje wol naar een medespeler, maar houdt zelf het begin van de draad vast. Deze medespeler vangt de bol, en werpt de bol naar een ander, terwijl hij het draad vasthoudt. De laatste rolt het draad terug naar de persoon van wie hij als laatste de bol kreeg. Tijdens het oprollen vertelt hij iets over zichzelf, zoals naam, over zijn woonplaats, broertjes en/of zusjes, school, werk, ouders, interesses.

 

Namenuitleg
Vertel een verhaal over je naam. Waar komt het vandaan en wat is de achtergrond van je naam? De andere mensen moeten zeggen of het verhaal fictief of non-fictief is.

 

Amerikaans liften
De spelers zitten in een kring op een stoel. Er wordt afgenummerd. Nummer één begint met het spel. Op teken van deze speler gaan alle handen in de lucht, dan slaat ieder op de kniën, klapt in de handen en knipt met de vingers om beurten boven de linker en rechter schouder. Goed onthouden dus: klap in de handen, knip links, knip rechts. Bij het knippen in de vingers links, roept nummer 1 zijn eigen naam en bij het knippen rechts over de schouder roept hij de naam van iemand in de kring. Die neemt de beurt over. De groep slaat weer op de kniën en klapt in de handen, allen knippen links, terwijl degene zijn naam noemt, allen rechts knippen, terwijl degene nu een andere naam noemt. Zo gaat verder. Wie het ritme verstoort, of de verkeerde handeling uitvoert, moet opstaan.

 

Rebusnaam
Geef iedereen een stuk papier; hierop moet iedereen in rebusvorm zijn eigen naam tekenen.

 

Het vraagspel
De groep splitst zich in tweetallen. Elk tweetal mag vier minuten lang aan elkaar vragen stellen over hobby’s, afkomst, leeftijd, naam, familie, etcetera.Na vier minuten mogen er geen vragen meer worden gesteld. De spelleider stelt nu een vraag over je partner, deze vragen kunnen over van alles gaan. Zonder te vragen of te kijken schrijf je het antwoord op. Als iedereen het antwoord heeft opgeschreven, controleren de partners elkaars antwoord. Is het antwoord goed, dan krijg je een punt. Als het fout is, krijg je geen punten. Als dat is gebeurd, gaat iedereen een andere partner zoeken, en start het verhaal opnieuw. ZO doe je het in totaal vijf keer (iedereen heeft elke keer een andere partner). Aan het eind gaat iedereen staan. De spelleider gaat dan vragen wie er een vraag goed heeft. Iedereen die een of meer vragen goed heeft, blijft staan, heb je geen vragen goed, dan ga je zitten. ZO gaat de spelleider door. Degene die de meeste vragen goed hebben, blijven dus het langste staan.

 

Wie ben ik?
Iedere speler krijgt een kaartje op zijn rug gehangen, met daarop de naam van een bekend persoon, stripfiguur, of popband. Het is de bedoeling dat je door middel van vragen stellen aan andere spelers erachter komt wat er op jouw kaartje staat. Je mag alleen vragen stellen waarop met “ja” of “nee” kan worden geantwoord. Je mag aan iedereen vragen stellen. Krijg je van iemand op je vraag nee te horen, dan moet je een andere speler opzoeken om vragen aan te stellen. Het accent van dit spel ligt duidelijk op kennismaking. Vandaar ook dat je na een nee antwoord op zoek moet gaan naar een andere speler. Wie raadt het snelst wie of wat er achter op zijn rug staat. Als variant kun je ook nog kijken wie er binnen een bepaalde tijd het meeste goede oplossingen heeft.

 

Ladderspel
De kaartjes met de namen van de deelnemers erop worden aan een lijn gehangen. Dit is de ladder. In het midden van de lijn komt een knijper te hangen. Dit is de hoogste sport van de ladder. Alle deelnemers kunnen elkaar nu gaan uitdagen met kleine korte spelletjes. Degene die wordt uitgedaagd, mag het spel bepalen. De winnaar mag zijn kaartje verwisselen met de verliezer om zodoende zo dicht mogelijk bij de hoogste sport op de ladder te komen. Er mag niet meer dan twee plaatsen hoger worden uitgedaagd.
Voorbeelden voor spelletjes:
· Touwtrekken
· Jeu de Boules
· Rondje om het terrein rennen
· Touwtje springen
· Balanceren van een vlaggetje/pion op de vinger
· Boter-Kaas-en-Eieren
· Rebus
· Armworstelen
· Het langst op een mok gaan staan
· Elkaar aan het lachen maken
· Galgje
· Emmer water halen
· Elkaars flessen omgooien
· Penalty schieten

 

MikMak
Je begint met een kennismakingsrondje waarbij iedereen twee keer zijn naam noemt. Vervolgens krijgt een deelnemer als eerste de beurt om een vraag aan iemand anders te stellen. Deze persoon moet bij naam genoemd worden. Degene die antwoord moet geven mag geen ‘ja’ en ‘nee’ zeggen en mag ook niet wijzen. Doet hij dat echter wel dan krijgt hij een MikMak (een stip met een warme kurk). Daarna stelt diegene een vraag aan een ander persoon uit de groep. Om de tien minuten wordt er gewisseld. Het is ook leuk om voor een vraag het woord ‘MikMak’ te laten zeggen. Vergeet de deelnemer dit dan volgt dezelfde procedure (met die kurk dus).

 

Ik leg een ei voor [naam]
De spelers staan in een kring, de armen ingehaakt. Een speler gaat hangen aan de armen van de buren en zegt: “Ik ben kippetje Bob, ik lig op stok en ik leg een ei voor kippetje Marlies”. Marlies gaat op haar beurt hangen en legt een ei voor een ander.

 

Blub blub, Wie roept
Iedereen ligt in een kring met voor zijn gezicht een bakje met water. Iedereen behalve één persoon, ligt met zijn gezicht in het water. Die persoon roept een naam, hapt lucht en steekt zijn gezicht ook onder water. De persoon wiens naam geroepen werd, heft zijn gezicht uit het water, roept zo vlug mogelijk een andere naam uit de groep, hapt lucht en steekt zijn gezicht terug in het water. Zo gaan we verder tot …

 

Blaas uit die kaars
Eén persoon wordt geblinddoekt. In de kring wordt een brandende kaars doorgegeven. Degenen die de kaars doorgeeft zegt telkens: “Alstublieft”. De ontvanger antwoordt vriendelijk met “dankuwel”. De geblinddoekt speler moet proberen de kaars uit te blazen.

 

Stapelen!!
Iemand roept “stapelen” en een naam; de persoon met de genoemde naam loopt weg, de andere moeten trachten op deze persoon te gaan liggen. Als het de persoon te veel wordt kan hij op zijn beurt “stapelen” roepen en een naam.

 

Geheim agent
De groep wordt verdeeld in twee ploegen en zij plaatsen zich met de rug naar elkaar (minimaal 3 meter van elkaar). De spelleider neemt van elke groep één persoon en plaatst deze met de rug naar elkaar in het midden. De anderen mogen zich omdraaien. Door tekenen en schijnbewegingen te maken moeten ze hun de persoon uit hun groep duidelijk maken wie achter hem staat. Nadat één van de twee werd geraden, begint het spel opnieuw.

 

Handen voelen
De spelers worden verdeeld in twee gelijke groepen. Een groep vormt een cirkel, met de gezichten naar buiten en de ogen geblinddoekt. De andere spelers kiezen een partner en laten hun handen voelen. Na een tijdje laat men de handen los en de buitenste spelers geven hun handen willekeurig aan geblinddoekten. Wie voelt het eerst de handen van zijn/haar partner?

 

Ik draai rond
Iedere deelnemer krijgt een blaadje met de naam op van een andere deelnemer. De bedoeling is dat je na het startsein drie keer rond de persoon loopt wiens naam op jouw blaadje staat. (het probleem ligt in het feit dat iedereen dit moet doen)

 

Ik speel met de voeten van
Alle spelers zitten op stoelen in een kring. In de kring staat een speler. Die zegt: “Ik speel met de voeten van … ( hier noemt hij 3 namen van kinderen). Deze personen moeten dan van plaats wisselen. De speler in het midden moet trachten een van de vrijgekomen stoelen te bemachtigen. Wie dat niet lukt begint opnieuw.

 

Ik zit in ‘t groen en ik hou van
Spelers zitten in cirkel op een stoel. Eén persoon staat in het midden. Er is één vrije stoel. De eerste speler links van de vrije stoel gaat op de stoel zitten en zegt: “Ik zit”. Er is nu een andere stoel vrijgekomen. De speler links van deze stoel gaat erop zitten en zegt: “In’t groen”. Weer komt er een andere stoel vrij. De speler links ervan gaat erop zitten en zegt: “En ik hou van [naam]”. De genoemde speler gaat op de vrijgekomen stoel zitten. Nu moet de speler in het midden proberen om te gaan zitten op de laatst vrijgekomen stoel vooraleer de eerste speler links erop gaat zitten en zegt: “Ik zit”. Degene die niet kan gaan zitten komt in het midden.

 

Kijk je goed
De spelers gaan in tweetallen tegenover elkaar staan. Ze bekijken elkaar een tijdje. Dan draaien ze de rug naar elkaar toe. Een van beiden verandert iets aan zijn/haar uiterlijk. Wat is er veranderd? Variatie: Zelfde werkwijze, maar nu stelt de spelleider een vraag: bv. Wat is de kleur van de trui van je partner. Regelmatig wordt er gewisseld van persoon.

 

Stand in de mand

Een speler staat in het midden van de cirkel met een bal. De middenspeler roept: “Stand in de mand en de bal is voorrrrr…” gooit de bal omhoog waarbij hij een naam roept. Iedereen stuift snel weg en de persoon wiens naam is geroepen komt aangelopen en probeert de bal te vangen. Hij moet dan de bal tussen de benen rollen van iemand die het dichtstbij staat. Bij dit persoon wordt een strafpunt geteld. En hij moet vervolgens in het midden van de kring staan en het spel gaat weer verder. Wie heeft als laatste de meeste strafpunten?

 

Pangpang
De spelers staan in een cirkel. Eén persoon staat in het midden. Hij draait rond zijn as en schiet een persoon uit de cirkel dood door hem aan te wijzen en te zeggen: “Pang, Tom”. Tom gaat dan zitten. De spelers rechts en links van Tom draaien zich één keer rond hun as en schieten elkaar dood. Degenen die eerst kan schieten wint. De gedode speler gaat dan zitten, de winnaar gaat in het midden staan en Tom mag weer staan. Zo spelen we tot er slechts twee personen overblijven. Op het einde zetten deze twee zich rug aan rug. Zoals bij een echt duel stappen ze weg van elkaar. Er mag geschoten worden als er verkeerd wordt geteld: bv. één, twee, drie, vier, zes. Wie is de beste “cowboy”?

 

Hang en valspel
De groep staat in een kring en legt de armen bij de buren over de schouders. De leiding fluistert van te voren een woord in bij iedereen. De leiding gaat nu een verhaal vertellen, waarin de woorden voorkomen. Op het moment dat iemand het woord hoort dat is ingefluisterd, dan gaat hij aan zijn buurmannen hangen.
Wil je een hilarisch moment? Fluister dan bij iedereen hetzelfde woord in.
Telefoontje
Iedereen zit, hand in hand, in een kring, behalve 1, die in het midden staat. Iemand wordt aangeduid. Hij zal een telegram versturen. Hij zegt: “Ik stuur een telegram naar …”, met iemands naam erbij. Hierna knijpt hij in een van de 2 handen die hij vasthoudt, waarna hij zegt: “… en hij is vertrokken”. Het handenknijpen wordt nu doorgegeven: het is de telegram. Dus, als iemand naast jou in je hand knijpt, knijp jij in de andere hand die je vasthoudt. Als de telegram aangekomen is, zegt de persoon naar wie hij werd verzonden “ontvangen!”. De persoon in het midden moet proberen de telegram te onderscheppen, door te raden bij wie hij nu is. Hij mag slechts 3 keer raden. Variatie: zet ergens halverwege enkele “telefooncentrales”, die moeten rinkelen nadat ze de telegram doorgaven.

 

Het trein verhaalspel
Iedereen gaat achter elkaar staan (als een soort treintje). De leiding gaat nu een verhaal vertellen. Vooraf is echter afgesproken dat bepaalde woorden een bepaalde beweging voorstellen. Dus bijvoorbeeld bij het horen van het woord “storm” moet de hele groep gaan zitten. Degene die een verkeerde beweging maakt is af.

 

Bijvoeglijke alliteratie
Iedereen zegt zijn voornaam en geeft daarbij een bijvoeglijk naamwoord (dat met dezelfde letter begint)
top

 

Ik hang in de appelstruik
Heel de groep staat in een kring. De deelnemer die begint gaat aan de twee deelnemers naast hem hangen en zegt: Mijn naam is… en ik hang in de appelstruik en ik geef de appel door aan …. Degene wiens naam genoemd is gaat op zijn beurt hangen en zegt dan: Mijn naam is…
en zo verder.
top

 

Zoek je partner
Alle kinderen hebben een kaartje met een dier op. Ieder dier komt twee keer voor. Op een teken gaat ieder zijn dier spelen en zoekt tegelijkertijd z’n soortgenoot. Hierbij kan je spelen met de kaartjes van een memoryspel, waarop ook andere voorwerpen zijn afgebeeld, zoals vruchten en planten.
top

 

Vragendoos
In een doos zitten papiertjes met een kennismakingsvraag erop. Om beurten haalt iedereen telkens een kaartje uit de doos en geeft daar een antwoord op.
top

 

Spring op bij de naam
De spelers zitten in een kring. Eén speler begint en noemt de naam van iemand uit de kring. Onmiddellijk gaan de buren van de genoemde opstaan. Diegene wiens naam werd genoemd, zegt op zijn beurt een nieuwe naam.
top

 

Namenketting
De spelers zitten in een kring en trachten elkaars naam te onthouden door een namenketting te maken die steeds langer wordt. Dat gaat als volgt: de 1e speler zegt: ik ben Jan. De volgende persoon zegt dan: dit is Jan en ik ben Joris. Zo gaat het de kring rond. En steeds worden de namen vanaf de eerste persoon herhaald.

 

Wie missen we?
Iedereen loopt door elkaar, en op een teken verstopt iedereen zich zo snel mogelijk. Niemand mag jou zien en jij mag niemand meer zien. De volgende keer krijgt iedereen de opdracht zich opnieuw te verstoppen, maar nu moeten ze blijven staan en de ogen sluiten. Heel stil wordt nu iemand door de spelbegeleider de zaal uitgeloodst. De andere spelers kunnen de ogen openen, en trachten na te gaan wie verdwenen is. Hoe heet die persoon? Hoe zag hij eruit?

 

Pak de persoon voordat hij een voorwerp heeft
De spelers lopen door elkaar. De spelleider roept plotseling een naam van iemand uit de groep en een voorwerp dat zich in de ruimte bevindt. De andere spelers trachten de aangeduide speler te tikken vooraleer die ene persoon het genoemde voorwerp bereikt heeft.

 

Wie voel je nu?
De spelers wandelen door elkaar. Iedereen zoekt voor zichzelf het tempo waarop hij met de ogen dicht kan verder wandelen. Als iedereen de ogen dicht heeft, zoekt hij met z’n rug de rug van een medespeler op. Iedereen verkent nu de rug waar hij tegen staat. Elke speler tracht nu te weten te komen wie achter hem staat.

 

Kennismakingskwartet
De grote groep wordt verdeeld in kleinere groepjes van een viertal spelers. Om de beurt kunnen de groepjes iemand uit een ander groepje vragen: bv.: Groep1 vraagt: wij vragen René uit groep3. Zit er toevallig een René in groep3 dan gaat hij naar groep1 De groep die aan de beurt is, vraagt net zolang verder tot ze zich in een naam vergissen. Dan is het volgende groepje aan de beurt. Uiteindelijk moet één grote groep ontstaan.

 

AdemNood
Probeer de groep klein te houden.
Iedereen zit in een kring op de grond met voor zich een teiltje gevuld met water. Alle deelnemers, op één na, houden hun gezicht (vooral neus en mond) in het water zodat ze niet meer kunnen ademen. De persoon die nog vrij kan ademen, noemt een naam uit de groep en steekt zijn gezicht dan ook in het water. De persoon, wiens naam genoemd werd, komt naar boven, noemt een andere naam uit de groep en haalt diep adem en steekt zijn gezicht weer in het water, enz… Personen die in ademnood verkeren doen best teken met hun handen of iets dergelijks dat ze vernoemd willen worden.

 

http://www.rayfra.nl/recreatie/kennismakingsspelletjes/